
Wijzigingswet Pensioenwet voor de zeemacht 1922
Artikel II
1
De gewezen militair, voor wie op grond van artikel 4 van de Pensioenwet voor de zeemacht 1922 of artikel 4 van de Pensioenwet voor de landmacht 1922 een recht op pensioen verloren is gegaan, wordt behoudens in het geval dat dit recht verloren is gegaan of verloren had kunnen gaan als gevolg van de omstandigheden omschreven in artikel I 1 van de Algemene militaire pensioenwet op zijn daartoe schriftelijk aan Onze Minister gericht verzoek in dat recht hersteld.
2
Indien aan het eerste lid toepassing wordt gegeven, bestaat recht op pensioen:
a
vanaf het tijdstip waarop een belanghebbende de leeftijd van 60 jaren heeft bereikt, indien hij met terzijdestelling van het bedoelde artikel 4 recht op pensioen zou hebben verkregen op grond van artikel 2, eerste lid, onder 4e.c van de Pensioenwet voor de zeemacht 1922 of artikel 2, eerste lid, onder 4e.b van de Pensioenwet voor de landmacht 1922 voor zover dat recht op 1 januari 1966 niet zou zijn vervallen of
b
vanaf het tijdstip waarop een belanghebbende de leeftijd van 65 jaren heeft bereikt indien hij met terzijdestelling van het bedoelde artikel 4 aan artikel Y 11 van de Algemene militaire pensioenwet recht op pensioen kan ontlenen.
3
Een ingevolge het eerste en tweede lid toe te kennen pensioen gaat niet eerder in dan op 1 januari 1987.
Jurisprudentie bij dit artikel
- Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.
- Geen resultaten gevonden voor de door u opgegeven zoek termen.